Apeldoornse Courant - donderdag 18 juli 2002

Als verhalen zich gaan schurken

Door Theo Hakkert

18 JULI 2002 - ‘DE beste manier om in een kajak een wilde rivier af te gaan is niet het kalme water langs de kant op te zoeken, maar de schuimende, kolkende weg in het midden. De kunst is dan een beetje bij te sturen en dat geldt ook voor de schrijver.‘.

‘De schrijver laveert tussen een bewust verhaal dat hij wil schrijven en een onbewust verhaal dat zich wil laten schrijven. Je bent je voortdurend bewust van dat andere verhaal. Je ziet het, voelt het zich opdringen. Dan moet je de souplesse hebben je eigen preoccupaties, de rationele kant van jezelf los te laten en de verhalen de kans geven zich te verweven. Dat is het schoonste moment van het schrijven, als de verhalen zich gaan schurken. Zoals Gerard Reve zegt: ‘Sta je ervoor dan moet je er doorheen.‘ En dan is het een genot om te gaan.‘

Erwin Mortier, schrijver, dichter, geboren in 1965. Hij praat zoals hij schrijft: zacht en beeldend, onnadrukkelijk, maar raak geformuleerd. En hij draait er shaggies bij.

Mortier, beroemd door zijn romans, maar zojuist bekroond met de C. Buddingh‘-prijs voor zijn poëziebundel ‘Vergeten licht‘. ‘Terwijl ik zelf geen onderscheid maak tussen proza en poëzie.‘ Het is dezer dagen sowieso druk rond zijn persoon. In de week voordat hem de prijs werd toegekend, publiceerde de Gentse schrijver zijn derde roman: ‘Sluitertijd‘.

‘Poëzie refereert rechtstreeks aan de oerbron van het schrijven. Dat is ook wat Frits Staal, antropoloog en linguïst, in zijn boeken schrijft. De mensen begonnen ooit met zingen en ze slaakten kreten van verbijstering als ze naar de hemel en de hen omringende wereld keken. Ik denk dat poëzie nog altijd iets van die primaire functie heeft. Ik zie poëzie als een onderdompeling in de bron van de eeuwige jeugd. Met proza ben ik veel bewuster bezig. Daarbij heb ik het gevoel dat ik de teugels strak in de hand moet houden. Poëzie is vrijer en associatiever dan de roman. Voor het overige zijn de grenzen arbitrair. Gedichten is iets wat gedurig sijpelt. Soms kan na een dag schrijven plotseling nog een vers opwellen.‘De vraag naar het onderscheid tussen de genres is bij Mortier van belang omdat zijn proza zo vaak geprezen wordt om de poëtische kwaliteiten. ‘Als critici maar niet gaan beweren dat ik steeds poëtischer ga schrijven en daarbij de compositie van het verhaal uit het oog verlies. Dan lezen ze echt niet goed. ‘Sluitertijd‘ heeft meer verhaal, meer compositie dan mijn eerste twee romans. ‘Marcel‘ is poëtischer en gecondenseerd, ‘Mijn tweede huid‘ heeft soberder passages met kale taal.‘

MINIATUREN

Marcel, Mijn tweede huid en Sluitertijd. De drie korte romans van Erwin Mortier, uit respectievelijk 1999, 2001 en 2002. Meesterlijke miniaturen zijn het, wondertjes van taal.

De romans gaan over jongens die opgroeien op het Vlaamse platteland in de jaren zestig. Mortier noemt ze ‘een informele trilogie‘, want de romans horen nadrukkelijk bij elkaar.

De boeken hebben ontegenzeggelijk iets ouderwets, want de hoofdpersonen zijn elk op hun eigen wijze met nostalgie behept. ‘Maar nostalgie van de goede soort. Nostalgie naar een mooier verleden, niet een restauratieve nostalgie.‘

Allemaal goed en wel, de verrassing was groot toen Mortier met zijn debuut op de proppen kwam. Hij tovert een vileine glimlach te voorschijn. ‘Sommigen in Vlaanderen waren compleet van hun melk toen Marcel uitkwam. Waren we eindelijk van de nonkels, de tantes en de pastoors af, dachten ze. Hoorden we eindelijk bij de moderne literatuur, kwam er weer zo‘n zeikerd met het Belgische oorlogsverleden op de proppen. De reacties waren: wel goed, maar zo Vlaams. Heerlijk. Toen dacht ik: ik trek nog maar een blik open. En ik heb nog wat blikken staan!‘

Het is geen loze waarschuwing. Erwin Mortier is bezig aan een grootse missie. Een project, als dat niet zo‘n vreselijk woord was. Al zijn beide termen van toepassing op de plannen van de schrijver. De drie nu verschenen romans zijn onderdeel van een cyclus die zo te horen vele, vele banden zal beslaan. Mortier werkt aan een cyclus over ‘België, dat rare land waar ik woon.‘

‘De werktitel voor de cyclus is ‘Het laatste boek van België‘. Het land waar ik woon is in 1830 in elkaar gestoken op een congres in Londen toen men vond dat België moest bestaan om Duitsland en Frankrijk uit elkaar te houden.‘



PARABELS

Mortier wil zijn eigen Histoire de Belgique schrijven ‘vanuit het aantrekkelijke idee dat België in de toekomst in Europa is opgegaan en dat ook dat land dus een net zo tijdelijke invulling voor dat stuk grond tussen Frankrijk, Duitsland en Nederland is geweest als alles voor 1830. België als ideëel gegeven uit het verleden.‘

Deze drie korte romans ziet hij in het geheel van de cyclus ‘als parabels, als allegorische sprookjes‘. Ook de gedichten die Mortier schrijft, krijgen een plaats in het geheel. ‘Te zijner tijd komt de poëzie in een bundel die onderdeel van de cyclus wordt, zoals je ook in de Bijbel verzen hebt, zoals het Hooglied. Dus het hangt allemaal samen.‘

SCHEDELS

Laten de analytici maar vast beginnen met de boeken die er al liggen, is zijn suggestie. Met de begrafenis in Marcel, de afdeling ‘Het graf van mijn kind‘Mensen zeggen of schrijven wel: ‘Toe, Erwin, kom nou eens uit dat verleden‘. Maar zo lang geleden is het allemaal niet. Tot 1982 zaten in België de kerken nog vol en de invloed van de kasteelheren was er nog. In heel veel Vlaamse dorpen mocht pas voor het eerst in 1977 gestemd worden, toen ze werden samengevoegd. Voordien was de kasteelheer de enige partij. Dat is heel kort geleden! De kritiek is daar blind voor gebleven.‘ Hij wijst op Geert Mak, die deze thematiek voor Nederland behandelde in zijn bekende boek Hoe God verdween uit Jorwerd. ‘Maar nu is het veranderd. Ook in België hebben dorpen nu slaapwijken gekregen met een aansluiting op de autosnelweg. Heel veel groene jongens wonen nu in een oude boerderij en streven een natuur na die waarschijnlijk nooit heeft bestaan. De charme van het strontvrije buitenleven.‘

ENGAGEMENT

Mortier plaatst zichzelf graag in de traditie van ‘de klassieke manier van verhalen vertellen‘. Hij laat moderniteiten als intertekstualiteit gaarne over aan de geroepenen. ‘Ik ben blij dat ik het soort verhalen dat ik schrijf, het soort literatuur waar ik voor sta, mee kan nemen de 21e eeuw in. Het is een manier van literatuur bedrijven die in gesprek is met de traditie. Ik weet dat er voortdurend een verlangen is naar figuren als Louis Paul Boon, het ‘monstre sacré‘. Hij heeft de poëtica van de traditie van binnenuit opgeblazen. We vergeten wel eens dat dat maar één keer kan.‘

Schrijven is qualitate qua een eenzaam bedrijf en een solitair bestaan; Mortier ziet ook nog eens geen verwanten. ‘Verwante schrijvers zijn allang dood en begraven.‘ Hij noemt Bruno Schulz. ‘Toch is het een interessante tijd. De diversiteit is groot. Groepen en bewegingen zijn er niet meer. Al die bewegingen uit de vorige eeuw zijn op de een of andere manier bezig geweest met de negentiende-eeuwse roman verder te onttakelen, daar komt het op neer. Zo kan de hele modernistische beweging het beste begrepen worden. Het was kunst gemaakt door de generaties die het failliet van het hele westerse project hebben meegemaakt. Het was rukken aan tralies en teugels, en er doorheen breken. Eenmaal doorbroken moet je niet verwachten dat er nog stromingen ontstaan of manifesten worden geschreven. Er is niets meer waar je je tegen te verklaren hebt.‘

Erwin Mortier: ‘Sluitertijd‘. Roman. 192 blz., 18,90. Uitgeverij Cossee. De andere boeken verschenen bij uitgeverij Meulenhoff.