De Twentsche Courant Tubantia - zaterdag 29 oktober 2005

Met minder computers meer kans op Twentse Einsteins

Door Gert-Jan Hospers

Bestuurders investeren volop in informatie- en communicatietechnologie om de Twentse kenniseconomie te stimuleren. Zonde: we hebben juist behoefte aan minder computers en meer creativiteit.

In de jaren dertig van de vorige eeuw verbleef Albert Einstein (1879-1955) meerdere malen in Twente. De wereldberoemde natuurkundige kwam niet naar onze regio om de laatste technologische hoogstandjes in de textielindustrie te bewonderen, maar om te musiceren.

Einstein was namelijk bevriend met de muzikale Enschedese tandarts Louis Lomars die aan de Prinsestraat 11A (nu het Medisch Spectrum Twente, locatie Ariënsplein) woonde. Samen met de Belgische schilder Blomme speelden Lomars en Einstein trio’s voor piano en viool.

Einstein was een gedreven violist, maar is mede door zijn formule e=mc² bekend geworden als één van de origineelste denkers aller tijden. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Einstein zijn belangrijkste artikelen publiceerde. Daaronder bevond zich zijn baanbrekende publicatie over de ‘speciale relativiteitstheorie’ die hij tien jaar later veralgemeniseerde tot de ‘algemene relativiteitstheorie’. Voor niet-natuurkundigen is dit verband tussen ruimte, tijd, snelheid en zwaartekracht moeilijk te vatten.

Einstein omschreef de essentie van zijn theorie echter als volgt: ‘Als je twee uur bij een leuke vrouw zit, dan duurt het ogenschijnlijk maar een minuut. Zit je daarentegen een minuut op een hete oven, dan het lijkt wel twee uur te duren. Daar gaat het om bij relativiteit.’

Einstein zette het natuurkundig onderzoek op z’n kop en legde de basis voor de kernfysica. Niet voor niets is 2005 - de honderdste verjaardag van Einsteins ‘wonderjaar’ - uitgeroepen tot het Wereldjaar van de Natuurkunde.

Niet alleen als fysicus trekt Einstein nog steeds de aandacht, maar ook als persoon. Want het was in 1905 niet een oude en wijze professor die het eeuwenlange mysterie van tijd en ruimte oploste. Neen, de oplossing kwam van een jonge medewerker van het Zwitserse Octrooibureau die natuurkunde er een beetje bij deed.

Wat was de achtergrond van Einsteins creativiteit? Volgens Einstein zelf lag het eraan dat hij nog als een kind naar de wereld kon kijken: ‘Ik ben niet superslim, maar ik ben gewoon extreem nieuwsgierig.’ Ook durfde hij vastgeroeste denkbeelden ter discussie te stellen en nieuwe vragen te formuleren.

Einstein had niet veel op met het ‘gezond verstand’, dat hij omschreef als de verzameling vooroordelen die men op zijn achttiende jaar heeft opgedaan. Kennis zag hij dan ook niet als het belangrijkste ingrediënt van technologische en economische ontwikkeling. In plaats daarvan hamerde hij op het belang van fantasie: ‘Verbeelding is belangrijker dan kennis’

Einstein maakte zich grote zorgen over het afbrokkelen van de creativiteit van de moderne mens. We worden door allerlei informatiebronnen al snel gehinderd door een te veel aan kennis, betoogde hij, waardoor we in ‘denkluiheid’ vervallen en niet buiten de kaders durven denken.

Einstein zag kunst (zoals muziek, toneel en tekenen) als een goede methode om de creativiteit te trainen. Zelf vond hij vioolspelen een ontspannen manier om met andere regels en grenzen om te gaan: ‘Als ik geen natuurkundige was geworden, dan zou ik waarschijnlijk musicus zijn.’

Helaas leggen bestuurders de lessen van Einstein nog te vaak naast zich neer. Zo wordt ter stimulering van de kenniseconomie overal in Twente geïnvesteerd in informatie- en communicatietechnologie (ICT). De provincie doet haar best met breedband de regio ‘digitaal te onsluiten’, Roombeek moet een ICT-gedreven Kenniswijk worden en op alle niveaus in het Twentse onderwijs is de computer heilig verklaard.

Als we Einstein mogen geloven, werken deze maatregelen averechts: omdat mensen door de digitalisering steeds sneller toegang krijgen tot informatie, worden ze nog minder uitgedaagd om zèlf na te denken. Als iemand anders al wat heeft bedacht, waarom zou je jezelf dan nog inspannen?

Dat computers fantasie en creativiteit afremmen en aanzetten tot ‘denkluiheid’, blijkt uit de enorme toename van het plagiaat in het onderwijs sinds de introductie van digitale leermiddelen. Onder studenten is het kopiëren van andermans teksten van internet zo sterk toegenomen, dat de Universiteit Twente al een plagiaatfilter heeft ingevoerd.

De Twentse kenniseconomie heeft dringend behoefte aan computerloze zones en computervrije dagen, want daarmee blijft er ruimte voor creativiteit. Het geld dat bestuurders op informatie- en communicatietechnologie besparen kan dan mooi geïnvesteerd worden in projecten die de nieuwsgierigheid en verbeelding van de Twentse bevolking stimuleren. Denk daarbij aan intensivering van het publieksproject ‘Natuurkunde op de Markt’, de UT-denktank Creative Tomorrow en meer aandacht voor de jaarlijkse Wetenschap en Techniek Week.

Of laten bestuurders Twentse Einsteins zoals Benno Berendsen (natuurkundedocent van het jaar), Noor van Andel (uitvinder te Almelo) en Dave Blank (toponderzoeker in de materiaalkunde) uitnodigen om voor de regio een openbaar college te houden. Voor dat soort creatieve initiatieven zou Albert Einstein in deze tijd vast en zeker weer naar Twente zijn gekomen.

Gert-Jan Hospers is universitair docent economie en strategie aan de Faculteit Bedrijf, Bestuur en Technologie van de Universiteit Twente.