Brabants Dagblad - donderdag 9 november 2000

De dood en het meisje

Door Jaap Goedegebuure

In de nieuwste roman van Geerten Meijsing weerspiegelen de hoofdpersonen Hovenier en Lily twee culturen. Het zijn de geletterdheid, kennis en wellevendheid versus de glitterwereld van trends en publiciteit.



  • Geerten Meijsing Dood meisje


  • De Arbeiderspers, f. 39,9
  • 0 UIGeen onderwerp zo poëtisch als de dood van een mooie vrouw. Aldus Edgar Allan Poe, een auteur bij wie het schrijversbloed voortdurend werd opgezweept door een cocktail van alcohol, angst en perversie. Geerten Meijsing, die zich altijd een groot bewonderaar heeft getoond van het literaire type waartoe Poe behoort, heeft het advies zo letterlijk mogelijk genomen en een roman geschreven waarvan de titel klare taal spreekt: Dood meisje. Weliswaar eindigt het verhaal op een moment dat de heldin nog net in leven is, maar hoezeer deze achttienjarige Lily de dood is toegewijd blijkt wel uit haar naam, die verwijst naar de mythische Lilith, een demonische nachtspook dat met haar geile escapades de rust van de eerste mens Adam kwam verstoren en door orthodoxe joden nog altijd als kinderschrik wordt opgevoerd. Meijsings Lily is een psychiatrisch geval en tegelijkertijd een product van deze tijd. Ze lijdt aan ernstige persoonlijkheidsstoringen en is behept met zo'n hevige zelfvernietigingsdrang dat ook haar naaste omgeving er blijvende schade bij oploopt. Maar voor het oog van de wereld is het een kekke meid, strak in de kleren, lenig in haar bewegingen en niet op haar mondje gevallen. Dat ze haar geld verdient als escort-girl of danseres in louche clubs, is voor haar een middel op weg naar het hogere doel: beroemd worden, kan niet schelen waarin of waarmee. Lily's rosse identiteit is voor de intrige van de roman niet zonder belang. Als telefonisch bestelde prostituée verschijnt ze in het leven van een gepensioneerde hoogleraar, de eigenlijke hoofdpersoon van Dood meisje. Voor de lezers van Geerten Meijsing is hij geen onbekende. Onder de naam Erwin Garden kwam hij al voor in een naar hem vernoemde trilogie, geschreven onder het pseudoniem Joyce & Co, en in De ongeschreven leer (1995). In het laatstgenoemde boek wordt Garden het slachtoffer van een malafide genootschap dat hem uit de weg wil ruimen omdat hij een onbekend manuscript van de filosoof Plato in zijn bezit heeft.

    Slachtoffer en beul

    Dood meisje neemt die draad in zoverre weer op dat Garden, nu Hovenier dan wel Gardenier geheten en vele jaren ouder, ternauwernood aan een aanslag op zijn leven is ontsnapt. Nadat hij uit een langdurige coma is ontwaakt, leeft hij min of meer ondergedoken in het stille provinciestadje Deventer. Over zijn doen en laten wordt ons gerapporteerd door een verteller die zich Provenier noemt en zich daarmee identificeert als de ikfiguur uit Meijsings voorlaatste roman Tussen mes en keel (1997).

    Horendol

    Ik doe al deze mededelingen niet om het letterlievende publiek horendol te maken, maar om aan te geven hoe graag Meijsing speelt met dubbele bodems en hoezeer zijn oeuvre een eenheid vormt. Uiteindelijk, zo lijkt mij, zijn al die verzonnen gestalten afsplitsingen van een en hetzelfde karakter, een schrijver die ondanks zijn kameleontische identiteit toch altijd zichzelf blijft. Als de spreekwoordelijke oude bok raakt Gardenier verslaafd aan het groene blaadje Lily. Wanneer hij merkt dat haar geest allerminst groen is maar flink bedorven, is het al te laat en zit hij voorgoed aan haar vast, zoals zij vastzit aan pillen en cocaïne. Ze zijn elkaars slachtoffer en beul, maar het lukt ze geen van beiden om de spiraal van verslavende waanzin en waanzinnige verslaving te doorbreken. Tenslotte slikt Lily een hoeveelheid tranquillizers die voldoende is om haar voorgoed in slaap te wiegen. Min of meer schijndood vegeteert ze nog een poosje voort, totdat Gardenier haar loskoppelt van de slangen en zich, als de 'knekelman' uit Schuberts Der Tod und das Mdchen of een doek van de romantische kitschschilder Wiertz, tegen haar aanvlijt, in afwachting van de definitieve overgang naar het Niets. "Ze voelde koud, ze was altijd cool geweest. De billen van vrouwen blijven koud, ook als ze opgewonden zijn. Hovenier fluisterde tegen Lily: 'Dit is toch wat we willen? Zo hebben we 't liefst.'" Einde verhaal. Wat wil Meijsing met deze macabere geschiedenis, die na een wat moeizame start steeds meeslepender wordt? Er is al gesuggereerd dat hij, de vroeger zo elitaire schrijver, dingt naar de gunsten van het grote publiek, dat een door soaps verpeste smaak heeft en de werkelijkheid het liefst beziet op het platte niveau van de roddelpers die zo sappig bericht over het leven van 'de sterren'. Eerlijk gezegd geloof ik niets van een dergelijke toeleg. Het heeft er alle schijn van dat Meijsing ons via het relaas van de wanverhouding tussen een kamergeleerde en een 'cool cat' een zinnebeeld voorhoudt. In Hovenier en Lily spiegelen zich twee culturen: de humanistische traditie die geletterdheid, kennis, wellevendheid, stijlgevoel en decorum als deugden ziet, versus de glitterwereld van modetrends en publiciteit, de jetset-wereld waaraan men zich wekelijks kan vergapen in de 'glossy's'. Niet voor niets laat Meijsing Lily een geloofsbelijdenis afleggen wanneer ze zegt alleen te geloven in sterren en reclame. "Die hebben de taak en de functie van de kunst overgenomen: het gaat om de modellen, om namen, roem en context."

    Schisma

    Waar Meijsing zelf staat in dit schisma, werd al duidelijk uit Tussen mes en keel, waar hij Provenier laat fulmineren tegen de literatuur van de toekomst, die er een zal zijn van 'televisiesterren in de prijzenregen' en van een uitgeversbestel dat niet meer geïnteresseerd is in het maken van boeken, maar in het verkopen van schrijvers. Nu hij laat zien hoe een geletterd man verzwolgen wordt in de schoot van een disco-del en met haar wegzinkt in een wolk van niet weten, beseffen we dat zijn vonnis over deze tijd onherroepelijk is.